‘Bevallen van een zoon L. Bok-Zeilinga. Amsterdam, 16 Maart 1868.’ Aldus een kennisgeving in het Algemeen Handelsblad. Die zoon kreeg de namen Egbert Jan mee. Lollina Bok-Zeilinga was zijn moeder en Jan Bok zijn vader. Egbert Jan zag het levenslicht op een maandag, klokslag twaalf uur in de middag. Zijn wieg stond in het ouderlijke woonhuis aan het toenmalige Nieuwendammergrachtje in Amsterdam. Egbert Jan was het eerste kind van Jan en Lollina. Een ruime schare aan kroost zou in de loop der jaren volgen (1). Over Egbert Jans jongste jaren, jeugd, opvoeding, schooljaren en eventuele vervolgopleiding weten we bij gebrek aan persoonlijke documenten bar weinig- op een enkel verhaal na. Wel mogen we gevoegelijk aannemen dat hij in redelijke welstand opgroeide als zoon van een scheepsbouwmeester. Want dat was het beroep van vader Jan Bok die samen met zijn broer Cornelis en vader Egbert Janszoon de vennootschap E.J. Bok & Zonen vormde, de firma waaronder scheepswerf De Zwarte Raaf op Kattenburg opereerde. De werf lag letterlijk om de hoek van het Nieuwendammergrachtje.
{ if (window.innerWidth >= bp.minWidth) enabled = bp.enabled; });
if (enabled) $dispatch('image-lightbox-open', { id: 'rwAE5434C8_1C7E_46A9_A9BB_71CB4613CEC1' });
" decoding="async" />
Egbert Jan groeide op in een tijdsgewricht van vernieuwing en contrast. Nederland industrialiseerde, met Amsterdam als een van de koplopers. Handel, scheepvaart, scheepsbouw, nijverheid en dienstverlening raakten in een stroomversnelling van mechanisering, schaalvergroting en specialisatie. ‘Oud geld’ profiteerde als vanzelfsprekend, maar ook nieuwe burgerij diende zich nadrukkelijk aan: industriëlen, bouwers, zakelijke dienstverleners enzovoorts. Kunst, cultuur en architectuur kwamen in Amsterdam tot bloei. Om een paar dwarsstraten te noemen: in 1864 opende het tot de verbeelding sprekende glazen Paleis voor Volksvlijt zijn deuren. Rond die tijd ging de eerste spade de grond in voor wat later het Vondelpark ging heten. Het werd omgeven door een luxe woonwijk voor de betere stand. Meer oostelijk in de stad ontving het statige Amstel Hotel vanaf 1867 zijn eerste gefortuneerde gasten en in 1868 kreeg dierentuin Artis haar natuurhistorische bibliotheek. De toekomst lachte Amsterdam tegemoet, maar die glanzende medaille kende tegelijk een doffe keerzijde. De exploderende werkgelegenheid bracht een massale trek van het verarmde platteland naar de hoofdstad op gang, met name na 1870. Al die nieuwkomers zochten natuurlijk huisvesting en daar begon het subiet te knellen. Er waren te weinig woningen en wat er al stond was niet berekend op de enorme toevloed van buiten. Hele gezinnen bivakkeerden driehoog achter in piepkleine gesplitste woninkjes, zelfs in krotten en kelders. Vocht, kou, schimmel, stank, het was daar bar en boos wonen. Maar dat is nog niet het hele verhaal. Op de werkvloer was sprake van uitbuiting, onderbetaling, kinderarbeid, absurd lange werkdagen en drankmisbruik met alle gevolgen van dien zoals persoonlijke verwaarlozing, ondervoeding en huiselijk geweld. Kortom, ellendige toestanden die niet zonder gevolgen konden blijven.
Biographie EJ bok
© 2025 Impulsive Artists.